Skip to main content
actuellecd

Blog

429 results
  • 41
  • 42
  • 43
  • 44
  • 45
  • 46
  • 47
  • 48
  • 49
  • Normand Guilbeault in Voir

    “Aut’Fréquences. En vedette: Normand Guilbeault”, Antoine Léveillée, Voir, April 29, 2009
    Wednesday, April 29, 2009 Press

    Le contrebassiste Normand Guilbeault continue sa “quête”, et elle se nomme Charles Mingus. Avec un troisième disque consacré au contrebassiste et compositeur américain, le musicien montréalais nous confirme encore une fois qu’il a une compréhension unique de ce répertoire. Il suffit de l’entendre parler de cette musique pour comprendre à quel point il y voue un respect sans faille. En formule sextuor (à laquelle se joint Karen Young), le disque Hommage à Mingus, Live at Upstairs 2008 réunit le saxophoniste Jean Derome, le clarinettiste Mathieu Bélanger, le trompettiste Ivanhoe Jolicœur, le batteur Claude Lavergne et, un nouveau venu celui-là, le pianiste Normand Deveault. “Lui, je l’ai attendu! s’exclame-t-il. C’est le seul pianiste que je voulais pour cet ensemble. Mais il travaillait en Guadeloupe… Alors, pas de pianiste. Maintenant, quand tu écoutes ce disque, tu peux comprendre pourquoi ça valait le coup d’attendre!” Plus qu’un simple exercice de transcription, Guilbeault a voulu monter un ensemble qui correspond en tous points à l’état d’esprit qu’impose cette musique. Une véritable confrérie. “Avec ce projet, on respecte l’évolution et l’histoire de Mingus, explique-t-il. C’est un travail gigantesque qu’il nous a légué. Il est aussi important qu’Ellington et Coltrane. C’est plus d’une centaine de disques; un héritage extraordinaire. Nous voulons respecter sa philosophie. C’est une façon d’interpréter qui rejette toute forme de confrontation. Dans cet ensemble, il n’y a pas de superstar. Sinon, ça ne pourrait pas marcher. C’est ça, l’esprit de Mingus. On entend cette générosité dans les interprétations originales.” Pas question non plus de déterminer un répertoire fixe et d’en faire un hommage standard qui se cultive dans une routine accessible. Non, l’ensemble tente plutôt de garder sa fluidité en renouvelant sans cesse son répertoire avec de nouvelles transcriptions. “Il faut garder une certaine fraîcheur. Être sur le qui-vive et conserver un esprit ludique. Pour cet album: quelques pratiques, à peine, et on monte sur scène ensuite. Deux prises en deux soirs et c’était fait.” Bien sûr… Rien de plus simple.

    Le contrebassiste Normand Guilbeault continue sa “quête”, et elle se nomme Charles Mingus. Avec un troisième disque consacré au contrebassiste et compositeur américain, le musicien montréalais nous confirme encore une fois qu’il a une compréhension unique de ce répertoire.

    May 2, 2009: Final Concert of the Young Composers’ Workshop 2009, Montréal

    Wednesday, April 29, 2009 In concert

    On May 2, 2009 at 5pm, at the Chapelle Saint-Louis of the Église Saint-Jean-Baptiste, will be held the concert ending the young composers’ workshop where six young canadians worked with the Bozzini Quartet and two composers(Paul Frehner and Rodney Sharman). With featured works by Taylor Brook, Mirko Sablich, Margareta Jeric, Cassandra Miller, Daniel Brandes and Andrea Young.

    Live in Israel in Jukebox

    “Review”, Koen Van Meel, Jukebox, April 28, 2009
    Tuesday, April 28, 2009 Press

    De dag dat Joëlle Léandre geldt als de standaard waaraan haar collega-bassisten afgemeten worden, zal een zwarte zijn voor heel wat muzikanten. De technische bagage van deze Française (met een verleden in het Ensemble Intercontemporain en bij John Cage) is ondertussen spreekwoordelijk en daarvan is deze dubbel-cd een zoveelste rechtvaardiging. Ze beheerst alle registers van het instrument: van flageoletten tot laag brommen, of het nu gaat om tokkelen, strijken of slaan op de snaren. Helemaal indrukwekkend wordt het wanneer ze verschillende technieken tegelijk aanwendt, zoals in een magisch klinkende passage in haar zesde solo-improvisatie.

    De beheersing van haar instrument stelt Léandre in staat om een rijk klankpallet op te roepen met één instrument. Ze dreunt, raast, trekt mistgordijnen op met tremolo’s, genereert diepe drones, zorgt voor percussieklanken en manipuleert ijle boventonen door het perfect controleren van flageoletten. Ook haar gebruik van dubbelgrepen is verbluffend. Ze zijn niet alleen perfect geïntoneerd, maar Léandre laat ze ook schuiven of evolueren, zodat er een melodie kan ontstaan uit een holle bourdonbegeleiding.

    Op de eerste plaat — gevuld met solo-improvisaties — laat ze horen dat dit technisch meesterschap ten dienste staat van de muziek. Nu eens werkt ze hiervoor met vage ideeën — soms niet meer dan een beweging — dan weer hanteert ze afgebakende motieven, echte melodieën of vingervlugge loopjes. Opvallend is echter vooral dat de muziek steeds organisch blijft. Hier geen zappende structuren, maar een duidelijke muzikale ontwikkeling die meer dan eens eindigt waar die begonnen is. Alles blijft bijgevolg heel bewust en gewild klinken: Léandre is niet alleen haar instrument, maar ook haar eigen ideeën meester. Het is dan ook extra bevreemdend om te horen hoe het tweede en de zevende solostuk een open einde krijgen, alsof Léandre er plots genoeg van heeft. Idem voor de fade-outs die mee enkele tracks (op beide cd’s) ontsieren.

    Door de mogelijkheden van de bassiste krijgt elke solo wel een eigen karakter; zo staat de eerste bol van de grote contrasten en klinkt de tweede veel meer melodisch. De vijfde wordt voorzien van een oosters tintje door de glijdende dubbelgrepen, terwijl deze zevende gebouwd is rond de techniek van het slaan op de snaren. Toch zijn ook hier de actie en de variatie gegarandeerd: Léandre laat de techniek verschijnen in een ronddraaiende ritmiek, in samenklanken of als een drone.

    Op de tweede plaat is de bassiste te horen in duo-, trio- en sextetverband. In eender welke bezetting blijft ze prominent aanwezig, zowel in het geluid als wat ideeën betreft, maar ze laat ook veel ruimte voor haar collega’s, waardoor de verschillende combinaties een heel eigen gevoel kunnen ontwikkelen. Het meest homogeen klinkt het trio met collega-bassist JC Jones en saxofonist Steve Horenstein. Niet alleen is er een grote eensgezindheid over de muzikale ideeën, de combinatie levert ook een prachtig versmeltend geluid op. De drie worden drie evenwaardige partners die samen één verhaal vertellen. Het is in deze homogeen klinkende setting dat Léandre’s muzikale vocabularium ideaal tot haar recht komt.

    In het sextet is daar logischerwijs minder ruimte voor. Zeker niet wanneer in het eerste stuk de groep in blok loos gaat. Deze explosieve aanpak, gecombineerd met het lo-fi karakter van de opname (ontstemde piano, rammelende drums, onevenwichtige balans, ruw totaalgeluid) doet deze opnames klinken als een echo van oude FMP-releases uit de oerdagen van de Europese geïmproviseerde muziek. Wanneer er gekozen wordt voor kleinere bezettingen binnen het zeskoppige geheel (met daarin ook drie rietblazers) komt er meer ruimte voor onderlinge communicatie. De verschillende episodes waarin de stukken dan uiteen vallen, zijn bij momenten van een fragiliteit die veel ruimte laat voor details. In een dergelijke omgeving wordt duidelijk hoe lenig Léandre’s bas klinkt: wanneer ze in de laatste sextetimprovisatie in dialoog gaat met de basklarinet van Assif Tsahar moet ze op geen enkel moment onderdoen in wendbaarheid.

    De meest opmerkelijke combinatie waarin de Franse bassiste op deze live-opnames te horen is, is die met de udspeler Sameer Makhoul. De twee stukken van dit duo zijn bij de esthetisch meest gave van het album en zijn vooral melodisch gericht: zeker het eerst, dat helaas wat te veel blijft hangen in een voorspelbaar, meditatief-oosters sfeertje. De samenhang is er, maar exploratie en variatie ontbreken. Niet in het minst omdat Léandre in deze situatie geen gebruik maakt van haar klankarsenaal. Flageoletten in plaats van de eerder klassieke en steunende tonen hadden hier een hele meerwaarde kunnen betekenen. In het tweede stuk is er al meer ruimte voor op- en afbouw, maar ook hier blijven de grote ideeën of risico’s achterwegen.

    Live in Israel laat, voor wie daar nog van overtuigd moest worden, horen dat Joëlle Léandre niet alleen tot de grootste bassisten (ongeacht geslacht), maar ook tot de grootste improvisatoren gerekend mag worden. Enkele spijtige beslissingen op het einde van tracks en een paar minder boeiende passages (voornamelijk op de groepsplaat) kunnen niet verstoppen welke technische bagage en muzikaliteit ze in het rond kan strooien. En op deze dubbel-cd is ze daar niet bepaald zuinig mee.

  • 41
  • 42
  • 43
  • 44
  • 45
  • 46
  • 47
  • 48
  • 49